maandag 26 augustus 2013

Het Eigen Ideologisch Gelijk Eerst

Volkskrant.nl, maandag 25/08/2013:
"Israël heeft maandag verontwaardigd gereageerd op het bericht dat de Nederlandse regering ingenieursbureau Royal HaskoningDHV heeft geadviseerd te stoppen met de bouw van een waterzuiveringsinstallatie in Jeruzalem, omdat dit project in door Israël bezet gebied zou staan [...] Het ministerie van Buitenlandse Zaken zegt dergelijke projecten te ontmoedigen, maar voegt eraan toe dat het Nederlandse bedrijven niet verbiedt eraan te beginnen.
'Dit is waanzin. De meer dan 200.000 mensen die in dit gebied wonen -­ en dat zijn vooral Palestijnen ­- hebben vreselijk veel last van de ernstige vervuiling van de Kidron-rivier', zegt Naomi Tsur, locoburgemeester van Jeruzalem. 'Waterverontreining is een probleem dat geen grenzen kent. Ik zit al 5 jaar met de Palestijnse Autoriteit om de tafel om te werken aan een oplossing die alle bewoners ten goede komt, waar de toekomstige grenzen ook komen te liggen. Het project waar Royal HaskoningDHV aan werkt, is in ieders belang.'" (lees hier)
Tot de eerste wereldoorlog was Jeruzalem eeuwen lang een Ottomaans stadje en geen Palestijnse stad. Zoals we straks zullen zien, de Joden waren al in die periode de grootste religieuze groep in Jeruzalem en richting het einde van de Ottomaanse periode was de meerderheid van de inwoners van Jeruzalem Joods. In 1922, in de nasleep van die oorlog, werd door het Volkerenbond een belangrijk document unaniem aangenomen, dat bekend staat als het Mandaat voor Palestina. Volgens dat document maakt Jeruzalem als geheel een deel uit van het gebied dat als het Joodse nationale thuisland werd bestempeld. Dit recht op o.a. Jeruzalem wordt nog altijd door art. 80 van de VN-handvest beschermd.

Volgens het VN-partitieplan uit 1947 (VN-res. 181), zou Jeruzalem als geheel onder internationaal toezicht geplaatst worden. Jeruzalem zou volgens die resolutie dus geen Israëlische stad zijn, maar ook geen Palestijnse-Arabische stad. Dit plan werd echter door de Arabische landen niet erkend en in mei 1948 ook tegengewerkt door een vernietigingsoorlog tegen de jonge staat Israël te beginnen en daarbij o.a. delen van Jeruzalem te veroveren. De juridische betekenis van deze gebeurtenissen is nog altijd een kwestie van discussie. Volgens een breedgedragen opvatting over de status van VN-resoluties zoals 181 (resoluties onder hoofdstuk VI) kon het partitieplan alleen verplichtend worden als de betrokkene partijen ermee instemden. Maar doordat de Arabische staten dat niet deden, is dat plan nooit van kracht geworden. Sommigen menen dat dit impliceert dat het 'Mandaat' van 1922 nog altijd van kracht is en dat Jeruzalem gewoon bij Israël hoort. Volgens een andere lezing zou er na mei 1948 sprake zijn van een soort juridisch niemandsland wiens status in de praktijk zou moeten uitkristalliseren.

In 1948 heeft Jordanië Oost-Jeruzalem, geheel in strijd met het internationale recht, veroverd en vervolgens geannexeerd. (De Jordaanse verovering en annexatie van oost-Jeruzalem zijn overigens nooit door de internationale gemeenschap erkend). De facto was Oost-Jeruzalem in de periode tussen het einde van het Britse mandaat in mei 1948 en de Israëlische verovering van de stad in 1967 een Jordaanse stad en geen Palestijnse stad. In die periode bestond er helemaal geen Palestijnse staat of andere erkende Palestijnse politieke autoriteit die enig zelfstandig politiek gezag over die stad uitoefende of waarvan Jeruzalem de hoofdstad was. In 1967 heeft Israël Oost-Jeruzalem dus op Jordanië veroverd en niet op de Palestijnen.

Demografisch gesproken is Jeruzalem al heel lang een Joodse stad en geen Arabische-Palestijnse stad. In 1922 woonden er in Jeruzalem in totaal 52,081 mensen, waarvan 33,971 Joden, 13,411 Moslims en 4,699 Christenen. In 1948 had Jeruzalem 165,000 inwoners, waarvan 100,000 Joden, 40,000 Moslims en 25,000 Christenen. En in 1967 had Jeruzalem zo'n 263,500 inwoners; 196,000 Joden, 55,000 Moslims en 12,500 Christenen. De demografische overmacht van de Joden in Jeruzalem gaat zeker terug naar de jaren '90 van de 19de eeuw en is dus niet ontstaan door de verovering van Jeruzalem door Israël in 1967 of de snelle ontwikkeling van west-Jeruzalem tussen 1948 en 1967 (deze cijfers zijn o.a. hier te vinden). In die zin heeft Israël in 1967 een Joodse en geen Arabische-Palestijnse stad veroverd.

De scheiding tussen Oost- en West-Jeruzalem, die nu als een soort vanzelfsprekendheid wordt beschouwd, als een grens, heeft geen internationaalrechtelijke basis. Die scheidingslijn tussen Oost en West loopt vrijwel gelijk met de staakt-het-vuren-linie van 1949, die nooit als een internationale grens bedoeld of erkend was. Het staakt-het-vuren-verdrag van 1949 bepaalt expliciet dat deze linie geen internationale grens is en geen basis mag zijn voor dat soort claims. Bovendien is de scherpe demografische scheiding tussen het Arabische Oost-Jeruzalem en het Joodse West-Jeruzalem in sterke mate te wijten aan Jordanië dat tijdens de verovering van Oost-Jeruzalem in 1948 de Joodse bewoners van Oost-Jeruzalem in grote getallen heeft weggejaagd en uitgemoord.

In VN-resolutie 242, die in de nasleep van de Zesdaagse oorlog in 1967 door de VN-veiligheidsraad aangenomen is, wordt Israël geenszins opgeroepen om zich onvoorwaardelijk uit Oost-Jeruzalem terug te trekken, laat staan terug te geven aan de Palestijnen. De Palestijnen komen in dat document helemaal niet voor. Als Israël volgens deze resolutie Oost-Jeruzalem aan iemand terug zou moeten geven, dan is het aan Jordanië. Een vraag die bij de verschillende interpretaties van deze resolutie regelmatig aan de orde is, is of Israël juridisch verplicht is om Oost-Jeruzalem terug te geven aan de onrechtmatige voormalige bezetter van dat gebied, Jordanië, te meer omdat Israël dat gebied in een defensieve oorlog veroverde.

In resolutie 242 wordt Israël inderdaad opgeroepen om gebieden die door haar in die oorlog veroverd waren terug te geven, maar de officiële Engelstalige versie van deze resolutie spreek bewust over 'gebieden' en niet over ‘alle gebieden’. Deze oproep wordt ook nog nadrukkelijk gekoppeld aan de erkenning van het bestaansrecht van de staat Israël en het garanderen van veilige grenzen voor alle betrokkene staten in de context van een duurzame vredesregeling. Het teruggeven van gebieden door Israël is dus geen preconditie voor, maar het resultaat van vredesonderhandelingen, erkenning etc. Bovendien is resolutie 242 een hoofdstuk VI-resolutie en dit betekent dat van subjectieve rechten op specifieke gebieden pas sprake kan zijn als de betrokkene partijen door onderhandelingen tot afspraken zijn gekomen.

VN-resolutie 446 van 1979 zegt dat de Israëlische nederzettingen in de gebieden die door Israël in 1967 waren veroverd, inclusief Oost-Jeruzalem, geen geldige juridische status hebben ("have no legal validity"). De juridische onderbouwing van die resolutie, en zeker wat betreft de positie van Oost-Jeruzalem, is echter niet onproblematisch. Deze resolutie is in de kern gebaseerd op een zeer bedenkelijke - tendentieuze en inhoudelijk twijfelachtig- interpretatie van bepaalde onderdelen van de vierde Geneefse Conventie. Maar misschien belangrijker, deze resolutie is een zogenaamde hoofdstuk VI-resolutie en heeft daarom niet de status van een rechtsplicht (legal obligation). Handelen in strijd met deze resolutie levert dus geen schending van internationaal recht, maar is in strijd met de mening van die staten die toen voor deze resolutie hebben gestemd. 

Maar zelfs als resolutie 446 en de bewuste interpretatie van de vierde Geneefse Conventie internationaal rechtelijk perfect in orde waren, dan was het beroep dat de Nederlandse regering in deze specifieke kwestie op het internationaal recht doet, zeer twijfelachtig:
"International law [...] does not prohibit business from operating in occupied territory, or require the denial of services to “transferees” [...]. Such a broad reading of international rules finds absolutely no support in the treatment of any other occupation. Indeed, in an important recent decision concerning a company involved in building the Jerusalem light rail, a high-level French court held that international law does not restrict companies from doing business across the Green Line, or even working on Israeli government-funded projects." (lees hier)
"'Vorig jaar spande een Palestijnse organisatie op dezelfde gronden een zaak aan tegen het Franse bedrijf Veolia dat de tramlijn door Jeruzalem bouwde. Ze verloren op alle fronten, omdat de Franse rechter oordeelde dat de tram alle inwoners van de stad ten goede komt, zonder onderscheid te maken. Dat lijkt me bij deze waterzuiveringsinstallatie duidelijk ook het geval.'" (lees hier)
Het beroep dat Nederland in deze kwestie op het internationaal recht doet is dus juridisch zeer zwak. Het lijkt verdomd veel op een geval van ideologische oorlogsvoering, namens de verlichte meesters in Brussel, waarbij het internationaal recht slechts een propagandamiddel is. Op zich zeer opmerkelijk, omdat de Nederlandse Grondwet de Nederlandse regering juist de taak geeft om de internationale rechtsorde te bevorderen en niet nog belachelijker en zwakker te maken (lees hier).

Maar zoals wij in een eerdere blog al hebben opgemerkt, misschien moet men zich realiseren dat Nederland, als onderdeel van de EU, geen neutrale positie in het Israëlische-Palestijnse conflict inneemt. In zekere zin is de EU een onderdeel van dat conflict geworden. Zoals dit voorbeeld zo helder en pijnlijk laat zien, de EU is een partij die in dat conflict het eigen ideologische gelijk nastreeft, soms ook ten koste van de belangen van zowel Israël als de Palestijnen en ten koste van het vooruitzicht op vreedzaam samenleven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten