Posts tonen met het label universiteiten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label universiteiten. Alle posts tonen

donderdag 29 maart 2012

Jouw Medewerking Of Jouw Baan

De onderwijskwaliteit is een hot issue, om een goede Nederlandse uitdrukking te gebruiken. Er gaat nauwelijks een dag voorbij zonder dat ergens in de media aan deze kwestie aandacht wordt besteed. De populariteit van deze kwestie heeft veel te maken met een aantal gevallen, met name in het HBO, waarin de onderwijskwaliteit bedroevend laag bleek te zijn. Gek genoeg leiden dat soort gevallen tot een steeds hardere roep om overheidsbemoeienis met het onderwijs. De simpele gedachte is dat als de overheid meer regels zou instellen en meer onderwijsinspecteurs, visitaties en accreditaties op het onderwijs zou los laten, dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs vanzelfsprekend ook beter zou worden. 'Gek genoeg' zeg ik want, naast veel andere bezwaren, er zijn in feite geen empirische onderzoeken die deze gedachte ondersteunen. Het geloof in de therapeutische effecten van overheidsbemoeienis met het onderwijs is een vorm van kwakzalverij. Dat dacht ik althans.
Vandaag ontving ik van een vriend een bericht over een Europees onderzoek naar de effectiviteit van dat soort overheidsbemoeienis met het onderwijs, waaraan ook onderzoekers van de Universiteit Twente hebben meegewerkt. De voorlopige resultaten van dat onderzoek luiden als volgt:
"Scholen die het afgelopen jaar bezoek ontvingen van de onderwijsinspectie blijken volgens schoolleiders meer verbeteractiviteiten door te voeren en meer opbrengstgericht te werken dan niet bezochte scholen. Ook hebben de bezochte scholen, volgens docenten, het afgelopen jaar wijzigingen aangebracht in de kwaliteitszorg en meer zelfevaluatie-activiteiten in de school georganiseerd. Dr. Melanie Ehren, onderzoeker aan de Universiteit Twente: “De vraag of inspectiebezoeken daadwerkelijk leiden tot concrete verbeteractiviteiten kunnen we al voorzichtig met ‘Ja’ beantwoorden.” 
"Scholen die veel contact hebben met de onderwijsinspectie nemen de standaarden zelfs dagelijks mee in hun werk. Ze brengen meer verbeteringen aan in hun zelfevaluatie en verbeteren de samenwerking tussen leerkrachten en het leiderschap in de school. Dr. Melanie Ehren: “Deze voorlopige resultaten zijn nog indicatief, over drie jaar kunnen we vaststellen of scholen daadwerkelijk verbeteringen in hun onderwijskwaliteit doorvoeren. Máár een eerste signaal is hiermee gegeven.”
Wat dit onderzoek werkelijk laat zien is, dat als leraren en docenten voor de keuze komen te staan om mee te werken aan zulke "onderwijsverbeteringen" of anders hun baan kwijtraken, dat ze vaak voor het eerste alternatief kiezen. Dit onderzoek bewijst dus, voorlopig althans, dat leraren en docenten ook maar mensen zijn. Of zulke "verbeteringen" de onderwijskwaliteit daadwerkelijk verbeteren is natuurlijk een vraag van een geheel andere orde en die is in dit onderzoek geheel buiten beeld gebleven. Dit onderzoek laat daarom ook zien dat universiteiten en onderzoekers die in dat soort "onderwijsverbeteringen" geloven en doorvoeren, vroeger of later niet meer in staat zijn om verantwoord onderzoek te verrichten.

dinsdag 20 maart 2012

Zo Voorspelbaar!

Elsevier, 20/03/2012:
"Universiteiten komen met strengere regels om wetenschapsfraude tegen te gaan. Er wordt vastgelegd wat schendingen van wetenschappelijke integriteit zijn en hoe universiteiten die aanpakken. Ook moeten de instellingen integriteitschendingen openbaar maken [...] Het moet voor wetenschappers, promovendi en studenten duidelijk zijn waaraan een integere wetenschapsbeoefening moet voldoen. Onderzoekers moeten voortaan beloven dat zij zich aan de regels van de 'code wetenschapsbeoefening' houden. Reden voor de scherpere regels is de omvangrijke fraudezaak vorig jaar waarbij de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel was betrokken." 
Deze ontwikkeling hebben wij op deze blog al een tijdje geleden voorspeld:
"Met dank aan de spectaculaire fraudegevallen van de afgelopen tijd, denk bijvoorbeeld aan de heren Stapel en Poldermans, zou de roep om meer bureaucratische controle op de subsidieverstrekking in de wetenschap alleen maar toenemen."
Er is op zich geen probleem met het voornemen om wetenschappelijke fraude a la Stapel tegen te gaan. Het is wel een probleem in een anti-wetenschappelijk systeem zoals het onze. In dat systeem kunnen goede wetenschappers vaak alleen overleven door allerlei vormen van wetenschappelijk verantwoorde fraude te plegen. Maar door de nieuwe regels zou de ruimte voor dat soort verantwoorde fraude waarschijnlijk steeds kleiner worden en daarmee ook de ruimte voor goed wetenschappelijk onderzoek. Het is ook deprimerend om te zien dat deze nieuwe regels zijn bedoeld voor wetenschappers, promovendi en studenten, maar niet voor politici en universitaire managers en bestuurders die het huidige anti-wetenschappelijke systeem steeds verder uitbouwen en opleggen. Die mogen hun gang gaan.

donderdag 24 november 2011

Stapel en Poldermans: De Beste Jongetjes van de Klas!

De verhalen over frauderende hoogleraren stapelen zich in rap tempo op. Eerst hebben wij het spectaculaire verhaal van de inmiddels ex-hoogleraar Diederik Stapel gehad, die zijn onderzoeksgegeven schijnt te hebben verzonnen. En nu kunnen we ook professor Poldermans toevoegen aan deze droevige lijst. Zoals de NOS meldt:

“Het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam ontslaat een hoogleraar wegens fraude. Professor Poldermans zou onzorgvuldig zijn geweest bij het verzamelen van onderzoeksgegevens. Hij heeft onder meer zonder toestemming patiëntgegevens gebruikt en gegevens verzonnen.” (zie hier)

Wetenschappelijke fraude is voor wetenschappers een doodzonde, die terecht bestraft en publiekelijk veroordeeld wordt. De genoemde heren zijn ook zelf geheel verantwoordelijk voor hun daden. Maar toch is de manier waarop de academische gemeenschap deze twee heren heeft uitgekotst niet koosjer. Immers, volgens de huidige officiële academische normen hadden deze twee ex-hoogleraren best wel de titel ‘het beste jongetje van klas’ mogen krijgen. In zeker zin waren de heren Stapel en Poldermans de belichaming van het hedendaagse ideaal van ‘de goede wetenschapper’ en het is het najagen van dat ideaal, dat hen uiteindelijk de wetenschappelijke kop kostte.

Wat verstaat men tegenwoordig onder een ‘goede wetenschapper’? Een belangrijk deel van het officiële antwoord op deze vraag kan men zwart op wit lezen in het belangrijke adviesrapport van de commissie ‘Toekomst Bestendig Hoger Onderwijs Stelsel’ (ook bekend als de commissie Veerman). Een aantal fragmenten uit dat rapport:

“Het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek is van hoge en gerespecteerde kwaliteit. Met slechts 0,3% van de wereldbevolking en 1,4% van het mondiale BP komt maar liefst 2,8% van alle publicaties en 3% van alle citaties uit Nederland (NOWT, 2010). Met ruim 1,8 publicaties per onderzoeker per jaar neemt Nederland wereldwijd de tweede plaats in en scoort aanzienlijk hoger dan Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Engeland.”

“Nederland kent een kennisparadox: ons land heeft veel toponderzoekers in huis maar ziet weinig kans hier commercieel voordeel uit te halen. Nederland scoort bovengemiddeld als het gaat om patentaanvragen (Europese Commissie, 2008; NOWT, 2010) maar weet dit niet om te zetten in veel innovatief startende spin-off bedrijfjes.”

“De Nederlandse ambitie om in de top 5 van de Global Competitiveness Index (GCI) te staan (OCW/EZ, 2009) lijkt nauwelijks te realiseren met de huidige investeringen in het hoger onderwijs en onderzoek [...] Kennis en innovatie – waar we het in de toekomst juist van moeten hebben – worden verwaarloosd.”

Kort samengevat komt het hier op neer: een goede wetenschapper is een wetenschapper die veel publiceert in (gerenommeerde!) internationale wetenschappelijke tijdschriften, die veel door andere wetenschappers geciteerd wordt en die nuttig onderzoek verricht, d.w.z. onderzoek dat bijdraagt aan de kenniseconomie, of aan de oplossing van specifieke problemen, die de samenleving als geheel aangaan. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan het zogenaamde probleem van klimaatverandering. Dit is kort en krachtig het officiële ideaal van de goede wetenschapper, d.w.z. het ideaal van de bestuurders en managers op de universiteiten en vele van onze politici .

Deze officiële normen hebben echter weinig te maken met de echte academische kwaliteit. Dat iemand veel artikelen in internationale wetenschappelijk tijdschriften publiceert betekent nog niet dat die wetenschapper ook werkelijk een goede wetenschapper is en helemaal niet dat hij een betere wetenschapper is dan iemand die minder of niet publiceert. Een wetenschapper die veel publiceert is goed in publiceren, wat bepaald niet het zelfde is als een goede wetenschapper. Een uigebreide publicatielijst getuigt simpelweg niet van enig bijzonder wetenschappelijk inzicht, van een werkelijke bijdrage aan de ontwikkeling van een bepaalde academische discipline, van een zoeken naar fundamentele kennis en inzicht of van eruditie.

Natuurlijk zijn er goede wetenschappers die ook veel publiceren, maar het feit dat ze veel publiceren heeft niet noodzakelijk iets te maken met de kwaliteit van hun werk en ze zouden zeker net zo goed zijn met veel minder publicaties. De logica van het publicatiewezen is nu eenmaal niet een logica, die louter echte academische kwaliteit bevordert en naar boven haalt. De waan van de dag, naam en faam, ideologische gezindheid, wetenschappelijk tribalisme, toegankelijkheid van teksten, winstgevendheid, macht, persoonlijke voorkeuren, taalbarrières, tijdsdruk, al dat soort omstandigheden en overwegingen zijn inherent aan het publicatiewezen en hebben weinig tot niets te maken met echte academische kwaliteit.

Nog erger is echter dat de bovengenoemde officiële normen van wetenschappelijke kwaliteit, de echte wetenschappelijke kwaliteit behoorlijk in de weg kunnen zitten. De publicatiedruk, die het academische leven tegenwoordig in zijn greep heeft, is een duidelijk voorbeeld van deze negatieve relatie. Zoals Mercurius Noviomagensis op deze blog schreef:

“We publiceren teveel en we publiceren teveel van hetzelfde. We herhalen onszelf voortdurend maar omdat niemand het leest maakt dat niet uit. Maar de wetenschap gaat niet vooruit door herhaling, maar door creativiteit. Creativiteit vereist inzicht en inzicht vereist tijd, tijd die we door de publicatiedruk niet meer hebben, waardoor we steeds herhalen wat we in ons proefschrift ook al zeiden of nog zullen zeggen.”

Ook het dominante nuttigheidsdenken kan een sterk negatieve invloed hebben op de echte academische kwaliteit van wetenschappelijk werk. In een vorige blog is al beargumenteerd dat de sterke nadruk op nuttigheid de ontwikkeling van fundamentele wetenschappelijke kennis en inzicht ernstig verhindert en is op termijn zelfondermijnend. In de context van nuttig onderzoek kan de wetenschappelijke autonomie onder zware druk komen te staan. In deze context staat niet meer het streven naar kennis en inzicht centraal, maar het oplossen van de praktische problemen van anderen met in de achtergrond de belangen van die probleemeigenaren. De stap van hier naar slap conformisme en pseudowetenschappelijke propaganda is logisch niet noodzakelijk, maar feitelijk zeer klein. En zoals Ludwig Kamphausen op deze blog betoogde de dominante notie van de nuttige wetenschap leidt ook naar verarming van de academie en het werk dat daaruit voortkomt.

In de officiële academische cultuur staat de zoektocht naar waarheid, naar fundamentele kennis en inzicht, niet centraal. Integendeel, met de sterke nadruk op publicatiecijfers en nuttigheid worden academici en wetenschappers vrij expliciet gestimuleerd, zo niet gedwongen, om dit vooral niet te doen.

Als wij de heren Stapel en Poldermans één iets niet kunnen ‘verwijten’ is dat zij serieus op zoek waren naar fundamentele kennis en inzicht. Conform de huidige officiële normen van de academische gemeenschap wilden deze heren veel publiceren, veel geciteerd worden, in de aandacht staan, het grote publiek paaien en verleiden met opmerkelijke ‘bevindingen’ en veel geld binnen harken om dit allemaal tot in de oneindigheid te kunnen blijven doen. Dit alles hebben beide heren ook heel goed gedaan, moeten we toegeven en in die zin waren zij misschien wel de beste jongetjes van de klas.

maandag 19 september 2011

publicatiequotum!

Publiceren? Eens in de vijf jaar, niet meer.
In een recente column voor het programma Buitenhof pleitte juriste en schrijfster Naema Tahir tegen de publicatiecultuur die de academische wereld in haar greep houdt. Het gemiddelde wetenschappelijk artikel, aldus Tahir, wordt gelezen door vier mensen, de referenten en de twee beste vrienden van de auteur. Wetenschappelijke artikelen zijn volgens Tahir zelden vernieuwend.  De aanleiding voor Tahirs column lag in de pas onthulde fraude van een hoogleraar psychologie, die zijn onderzoeksgegevens zelf verzonnen schijnt te hebben, waardoor hij en een collega in de problemen zijn gekomen.  Tahir toonde begrip voor de psychologen, de publicatiedruk in de academische wereld is zo groot dat het heel invoelbaar is dat academici de boel flessen om hun baan te redden, zo Tahir. We keuren het niet goed, maar toch – zo was de teneur.
In een eveneens recente column voor NRCnext schreef classicus en dichter Ilja Leonard Pfeijfer in een soortgelijk register: de academische wereld waarvan hij de zwanenzang nog had meegemaakt, waarin academische vrijheid – onderzoeken wat en wanneer je maar wilde en college geven over wat je maar wilde – de norm was, heeft plaatsgemaakt voor een ratrace waarin academici over elkaar struikelen om maar aan hun ‘targets’ te voldoen. Er is vrijwel geen verschil tussen een bamifabriek en een BaMafabriek, vandaar ook dat managers uit de voedingsindustrie rustig bij een college van bestuur aan de slag kunnen.
Tahir en Pfeijfer hebben dan ook ontegenzeggelijk gelijk, zoals iedereen die vijf minuten rondkijkt op een universiteit zal ontdekken, als hij tenminste geen bewustzijnsvernauwende bedrijfskundige theorieën tot zich genomen heeft.
De huidige universiteit wordt, als het bedrijf dat zij inmiddels is, in lijn met de systeemtheorie beschouwd als een systeem waar bij de input bestaat uit studenten en wetenschappers die binnen twee subsystemen worden omgezet in de output bachelor (spreek uit betsjeller) en  master (als in driemaster) in het onderwijs en publicaties in het onderzoek;  de kwaliteit ervan blijkt uit de rating van het journal waarin de publicatie verschijnt; als je op de juiste congressen tegen de juiste collega’s aanschurkt en de modieuze opinies binnen de modieuze onderzoeksprogramma’s – een soort kledinglijnen – volgt, dan publiceer je in toptijdschriften en ben je dus een excellente wetenschapper. Excellente wetenschappers zijn overigens niet altijd opinieslaven.
Het punt is eerder dat excellentie en kwaliteit in wezen niets uitstaande hebben met het niveau van het onderzoek of het onderwijs, aangezien excellentie en kwaliteit louter boekhoudkundige noties zijn.
Het is een illusie om te denken dat deze cultuur doorbroken wordt zonder een regelrechte revolutie, aangezien vrijwel het gehele maatschappelijk middenveld van de academische wereld (met name het NWO) en vele hoogleraren teveel te verliezen hebben bij de afbraak van het systeem. Toch zijn er drie heel concrete punten waarmee de wereld die Ilja Leonard Pfeijfer beschrijft, en waarin ik nog gedeeltelijk heb gestudeerd, enigszins kan worden gerecupereerd. Allereerst moet het stelsel van de outputfinanciering verdwijnen: het betalen van universiteiten en hogescholen per behaald studiepunt of diploma zorgt voor een daling van het niveau en vraagt gewoonweg om het soort fraude dat bij InHolland is geconstateerd. Ten tweede moet de financiering van onderzoek rechtstreeks via de faculteiten verlopen en niet via het NWO of andere derde partijen – faculteiten krijgen per leerstoel een budget, te besteden naar eigen inzicht. Ten derde komt er een publicatiequotum, een beperking van het aantal publicaties dat een onderzoeker mág doen.
Ik ga nu alleen op het derde punt in. We publiceren teveel en we publiceren teveel van hetzelfde. We herhalen onszelf voortdurend maar omdat niemand het leest maakt dat niet uit. Maar de wetenschap gaat niet vooruit door herhaling, maar door creativiteit. Creativiteit vereist inzicht en inzicht vereist tijd, tijd die we door de publicatiedruk niet meer hebben, waardoor we steeds herhalen wat we in ons proefschrift ook al zeiden of nog zullen zeggen. In de humaniora komt dit probleem scherper naar voren dan in de natuurwetenschappen, omdat in de natuurwetenschappen, in beperkte mate althans, kan worden voortgeborduurd op vergaarde inzichten, zeker waar het experimenteel onderzoek betreft. In de humaniora bestaan echter geen experimenten of bewijzen; letteren, theologie en filosofie vragen om de gestage ontwikkeling van inzicht. Elke filosoof bijvoorbeeld moet de geschiedenis van de filosofie opnieuw doormaken, er door heen gaan, om ook maar eigen inzichten te kunnen ontwikkelen. Ik weet pas of Aristoteles iets heeft gezegd dat van belang is voor mijn onderzoek naar de waarneming als ik Aristoteles heb gelezen en doordacht en dat is iets heel anders dan dat ik de nieuwste publicatie heb gelezen waarin staat dat Aristoteles volgens de auteur ‘niet meer van deze tijd is’. Ook en literatuurwetenschapper kan zich niet beperken tot het lezen van de laatste artikelen over Pessoa, hij zal de schrijver zelf en de canon van de kritiek moet doorleven. Dat betekent dat het eigenlijk belachelijk is om van iemand voor of net na zijn promotie een stroom aan publicaties te verlangen. Het betekent ook dat iemand die al veel verder is en die aan iets nieuws werkt, daar een periode van ontwikkeling voor beschikbaar moet hebben. De enige die kan bepalen hoe ver hij is, is hij zelf. Een volledig vrije universiteit zou ideaal zijn, maar gezien de getalverslaving van de huidige academische wereld is een meetbaar criterium misschien geen slecht idee. Daarom zou het goed zijn wanneer wetenschappers nog maar éénmaal in de vijf jaar iets móchten publiceren (maar niet móeten publiceren). Ze zouden dan goed moeten nadenken of dit echt wel het boek was dat ze de wereld in wilden sturen, aangezien ze pas over vijf jaar opnieuw iets in druk of op het web of hoe dan ook mochten laten verschijnen. Een publicatiequotum is misschien niet leuk voor de lijstjesmakers en andere boekhouders, maar het zou een zegen zijn voor de academische wereld. Er zou tijd zijn om echt na te denken, te lezen en te schrijven – boeken te schrijven. En om het werk van je collega’s te lezen. Dat is dan waarschijnlijk best aardig.